NEOLITHISCHE PERIODE
De neolithische periode in China wordt in grote lijnen gesitueerd tussen 12000 en 2100 voor Christus ( van enkele culturen werden voorwerpen gevonden die dateren tot omstreeks 1000 voor Christus ). Lang voor er spraak was van dynastieën of keizers leefden er op het grondgebied van huidig centraal China een aantal bevolkingsgroepen. Men noemt ze nu culturen. De benaming van deze verschillende culturen is voornamelijk gebaseerd op de vindplaats waar men voorwerpen van deze bevolkingsgroepen aantreft.
Van het vroege neolithicum werd tot op heden weinig of niets teruggevonden. Archeologie in China staat immers nog steeds in zijn kinderschoenen. Men heeft er andere katten te geselen en men denkt terecht dat wat nu onder de grond zit veilig is opgeborgen, het zijn dus zorgen voor later. Zo zijn heel wat belangrijke begraafplaatsen gekend maar men laat alles rustig liggen.
De belangrijkste tot op heden gekende culturen zijn de Yangshao cultuur ( ca. 5000 - 1500 v. Chr. ) en de Longshan cultuur ( ca. 5000 - 1700 vr. Chr. ).
Yangshao cultuur
De Yangshao cultuur van de centrale vlaktes was gevestigd in de omgeving van een aantal steden in de provincies Henan, Shanxi en Shaanxi, waar de Wei en de Gele Rivier ( Huang He ) samenvloeien en waar de grenzen van deze provincies mekaar raken, een gebied dat algemeen aanvaard wordt als de wieg van de Chinese cultuur.
Het was pas in 1921 dat de Zweedse archeoloog Gunnar Anderson als eerste nabij het dorp Yanshao beschilderd aardewerk met rode basis aantrof. Nadien werden heel wat nederzettingen uit dezelfde periode ontdekt. De oudste tot hiertoe gekende is Banpo ( ongeveer 5000 voor Christus ), gelegen vlak bij het huidige Xi'an. Ze bestrijkt een oppervlakte van 70.000m2 en telde 500 Ã 600 inwoners. Blijkbaar was het vervaardigen van gebruiksvoorwerpen in aardewerk toen heel belangrijk. Enkel al in het centrum van Banpo werden zes ovens opgegraven. Deze zijn meteen de zes oudste ovens ooit in China gevonden.Het grootste deel van de opgegraven stukken bestaat uit kruiken van rood aardewerk vaak versierd met " koord " of " textiel " motief. De voorwerpen zijn meestal rood en zwart beschilderd en gebakken in temperaturen tussen de 800 en 1000 graden. Na het bakken werd de versiering aangebracht met een penseel. Overige belangrijke vindplaatsten zijn Houkang, Miaotigou en Chinwangchai.
Een latere periode van de Yangshao cultuur situeert zich in de Gansu provincie. Men noemt ze ook Machiayao cultuur, met als belangrijkste vindplaatsen : Shilinghsia, Machiayao, Panshan en Mach'ang.
In elk van deze locaties werden voorwerpen gevonden met eigen karakteristieken. Zo spreekt men bijvoorbeeld van Panshan type.
Longshan cultuur
Tot voor kort dacht men dat de Longshan cultuur jonger was dan de Yangshao cultuur en dat zij er zich zelfs in zekere zin uit ontwikkeld had. Op meerdere vindplaatsen in de provincie Henan bevonden de Longshan lagen zich boven die van Yangshao en onder die van de latere Shan periode. Later onderzoek bevestigde echter dat de Longshan cultuur zich gelijktijdig met de Yangshao cultuur ontwikkelde en zich verspreidde van de oostkust van China naar het noorden toe tot in Henan
De Longshan cultuur brengt ons voornamelijk onbeschilderd zwart aardewerk met een dunnen wand. De belangrijkste verdienste van deze cultuur is dat ze het pottenbakkerswiel tot leven bracht |